We gaan terug naar het jaar 1785. Het was behoorlijk druk in het Fransche Koffiehuis aan de Kalverstraat in Amsterdam. Er werden heftige discussies gevoerd tussen orangisten (aanhangers van stadhouder Willem V van Oranje) en patriotten (die waren dat dus niet). De sfeer was broeierig en rumoerig en de cafébaas moest af en toe tussenbeide komen. “Rustig, heren, achter in de zaal wordt serieus gedamd!”
Gedamd? Zeker, op een vaste plek stonden vier tafels met imposante dammende mannen met hoge hoeden achter de borden. Een van die damborden trok het meeste bekijks: twee vermaarde spelers uit de hoofdstad werden gadegeslagen door zeker zo’n tien geïnteresseerden. Een van de dammers was Ephraim van Emden, die net het eerste damboek van Nederland had uitgegeven, ‘Verhandeling over het damspel’.
Het was te koop voor meer dan tien florijnen. Bestemd voor de elite, een arbeider moest hier dagen voor werken. Latere edities van dit legendarische standaardwerk, uitgegeven in 1827, 1848 en 1910, waren aanzienlijk voordeliger, zodat ook Jan met de Pet studie kon maken van ons fraaie spel.
In 2026 verscheen de vijfde editie, die op enkele punten verschilt van de eerdere. Het is ‘vertaald’ naar modern Nederlands, maar wel met een archaïsche toon, om in de stijl van de auteur te blijven. Geen cijferstanden nu, maar (bijna 200) diagrammen en de oude veldnummering en notatie zijn aangepast aan de huidige, zodat de lezer niet ‘horendol’ wordt. Tenslotte is het boek ingekort. Waar de wat breedsprakige Van Emden soms een pagina nodig had om een oplossing van een probleem te duiden, kon in de nieuwste versie worden volstaan met een enkele regel.
Het damspel werd in 1785 iets anders gespeeld dan nu. Van Emden legt uit wat ‘moorden’, ‘blazen’, ‘damrust’, ‘schut’ en ‘rest’ inhouden. En waarom een vijf-om-twee dammeneindspel remise is als de speler met de twee dammen de middellijn heeft. En waarom de openingszetten 35-30 en 34-29 vrijwel verliezend zijn, 31-26 tegen de regels van het spel en 33-28 de beste is.